NIET GEWONNEN, NIET VERLOREN (2025)

In mijn voetbalcarrière (1957-1982) kon ik, als ik maar hàlf het gevoel had, dat we hadden kúnnen winnen, héél chagrijnig zijn. Nu ben ik supporter van mijn kleinzoon R. van 11.

R. is een technisch vaardige en slimme voetballer, die met zijn team de meeste wedstrijden wint. Misschien kan hij daardoor niet zo goed tegen verlies: Chagrijn en zelfs tranen. Of zou het ook in zijn genen zitten?

Zijn ouders vinden dat dit treurige gedrag niet bij een sportman hoort: Er volgt een pittig gesprek. Een afspraak wordt duidelijk gemaakt: ‘Juichen bij een overwinning mag altijd, met verlies moet je leren omgaan. Maar huilend van het veld komen bij een nederlaag, dàt doen we niet meer’.

Thuiswedstrijd tegen SV Urk. Onze jongens zijn al volop met de warming up bezig wanneer de tegenstander pas het veld op komt. Die jongens moesten natuurlijk al vroeg op. Of zich dat in het begin van de wedstrijd al wreekt, is moeilijk te zeggen, maar de thuisclub staat al snel met 2-0 voor. Geleidelijk komt er wel meer evenwicht in de wedstrijd; de teams zijn aan elkaar gewaagd. Onze mannen spelen een bijzondere goede wedstrijd, tot nauwelijks vijf minuten voor tijd. Het is dan inmiddels 4-1.

Dan valt de 4-2. De thuisclub denkt collectief, dat een marge van twee doelpunten wel voldoende is, maar dat wordt afgestraft: 4-3! Ik kijk op mijn telefoon: Nog (minder dan) één minuut! Ik denk, nerveus van de ene op de andere voet bewegend, “Het zàl toch niet?” De bal verdwijnt over de achterlijn: corner voor Urk. In grote haast rent de nemer met de bal onder de arm naar de hoek pion, legt de bal snel neer, aanloop. Hoog en scherp voor het doel valt de bal in een kluwen van spelers en zoals in zo’n wedstrijd meestal gebeurt, is er net dàt stukje extra bij de bezoekers: bal over de doellijn: 4-4! En afgelopen.

Uit een mêlee van spelers (De Urkers juichend en gillend over en door elkaar heen springend en duikelend) komen onze mannen gekreukeld en beschadigd tevoorschijn. Niet gewonnen, niet verloren. Kleinzoon R. komt op een drafje in mijn richting: woede, teleurstelling en frustratie vechten om voorrang en monden uit in een huilbui. Ik stap het veld op om hem te vangen. Zijn hoofd verdwijnt bijna onder mijn oksel ik druk hem troostend tegen mij aan. Ik begrijp precies hoe hij zich voelt: Bijna huil ik met hem mee.