

“Ik ga in Engeland studeren”, zei zoon H. achteloos.” “Zo!” zeiden echtgenote R. en ik tegelijk. “Voor een half jaar, hoor!” verduidelijkte hij. “Dus, op naar Londen!” dacht ik te weten. “Birmingham!”, zei H., “tweede stad.” “Dat staat later heel goed op je CV!” moedigden wij hem aan.
*
Natuurlijk misten we hem, vooral de eerste weken. Niet zo maar iemand minder aan tafel en bij de TV, voetbal trainingen en -wedstrijden en zo veel meer. Wel hadden we bijna iedere zondagavond telefonisch contact. H. belde, kosten voor onze rekening. Vaak R. eerst. Daarna ik. Een (heel) summiere studie-update. “En”, vertelde hij, “we hebben elk lesuur, onder het motto ‘Erasmus students don’t fail’, tien minuten een ‘body break’. Dan moeten we wat oefeningen doen voor de schouders, de nek. Een soort ‘re-set’. Helpt je om ‘focus’ te houden.” En over het uitgaan (disco), want je kunt natuurlijk niet alleen maar hard studeren. En vaak, en alleen daarover gedetailleerder, voetbal en natuurlijk ‘Aston Villa’!
Onverwacht ging het die ene keer over een andere sport: “Vind je, dat ik naar de hondenrennen moet gaan?” “De hondenrennen”, papegaaide ik, nadenkend. Dan: “Hazewindhonden!” “Ja”, zei hij, “die! En je kunt er ook op wedden!” “Hij moet zelf zijn grenzen zoeken”, bedacht ik. Dus: “Altijd doen! Je gaat dit waarschijnlijk nooit weer meemaken!” Vaak eindigde zo’n gesprek met (H. wist dat ik ’s maandags weer naar de bank moest) : “Kun je even wat geld over maken?”
*
Op weer zo’n maandagavond opperde R. enigszins omzichtig: “Wij zouden toch graag eens bij je langskomen in Birmingham. We willen je weer eens zien en eens kijken hoe het daar is!” “En ik wil graag óók eens naar Aston Villa!” riep ik vanuit de achtergrond. Toen het mijn beurt was, zei H.: “Ik kan nog geen extra kaart kopen voor Aston Villa thuis.” Hij legde uit: “Ze doen het hier anders. Je moet naar een aantal wedstijden zijn geweest. Daar krijg je dan punten voor en dan kun je pas een extra kaart bestellen.” “Nou”, zei ik, “dan ben je nog niet klaar. Want je moeder en je zuster seinen me net in dat ze ook graag meewillen!”
*
De jaarwisseling waren we met zijn drieën. H. kregen we pas 2 januari aan de lijn; Bellen rond oud en nieuw met Engeland lukte niet. De lijn was of onrustig of helemaal ‘dood’.
*
Halverwege januari riep H.: “Ik ben al naar Fullham, Tottenham en Liverpool* geweest. En tegen Norwich City voor de WBA. Vooral Liverpool was waanzinnig goed! Moordend tempo, één keer raken. Aston Villa kwam bijna het eigen strafschop gebied niet uit! Een wonder, dat het maar 0-1 werd.”
H. rapporteerde in februari dat hij naar het Hall Green Grey Hound Stadium was geweest. “Een oud, vervallen stadionnetje. Er waren vast niet meer dan 500 mensen. Veel ouderen! Maar bijzonder! Die honden rennen achter een stoffen kunsthaas aan. Ze halen wel 70 kilometer per uur. Mooi dat ik dat heb meegemaakt!” “Heb je nog gewed? En … gewonnen?” wilde ik weten. H. hield zich wijselijk op de vlakte: “Nou, eh, rijk ben ik er niet van geworden!”
*
Eind februari was er voor ons witte rook: H. riep enthousiast: “Ik heb vier kaarten voor de derby tegen Birmingham City!”
*

Na iets meer dan een uur vliegen, maar nog op Birmingham International Airport, zei R. tegen dochter M.: “Je moet je horloge nu een uur terugzetten.” Dat vond ze gek, keek ons verbaasd beurtelings aan. “We hebben nu Greenwich Mean Time!” legde ik uit. Bij gelukkig toeval liepen we net, in de richting van de ‘Tube’, onder een grote klok door, die een uur vroeger stond.

Ze was nu overtuigd, bleef staan, en deed het. “We leven hier in een andere tijd! We halen een uur in”, zei R.
Zoon H. haalde ons van het vliegveld en -gelukkig weer eens een viertal- gingen we verder naar de ‘UCE University Central England Birmingham’. Toch wel trots leidde hij ons rond. In de college ruimtes mochten we niet omdat het weekend was. Zijn studentenkamer, in een verouderd flatgebouw vrij achteraf op de campus, was van minimale omvang. Een bureautje met stoel, een tafeltje en een keukenkastje boven een aanrecht met één kraan. Ik zag direct dat R. zich moest bedwingen om niet onmiddellijk aan de schoonmaak te slaan. Toen R. ook het bed had gezien, zei ze: “We boeken je wel ‘bij’ in ons hotel. Heb je ook een paar nachten een goed bed!”
*
‘The Pallasades Shopping Centre’ was de volgende etappe. Een gigantisch complex in het centrum (‘alsof er een groot, vierkant ruimteschip in de oude binnenstad is geland’ las ik), min of meer verweven met het treinstation. Door brede trappen met elkaar verbonden galerijen met cafés, restaurants, curiosa- en modewinkeltjes, waaruit moeder en dochter verheugd met excentrieke T-shirts tevoorschijn kwamen. In een grote muziekwinkel vond ik een Cd van de Britse Savoy Brown Bluesband met een lange ‘live’ versie van ‘Train to Nowhere’, die ik op een kruk en met een koptelefoon op, in zijn geheel mocht beluisteren.

Een (late) Engelse lunch hadden we er ook. Vriendelijke medewerkers -met handschoenen aan- tuigden je ‘scones’ op met verrassend veelzijdig beleg , dat je, smaakvol in de in de vitrine uitgestald, eerst kon opnoemen of aanwijzen.
*
Op maandag 3 maart was het zover. De derby! Aston Villa tegen Birmingham City! H. wist het stadion in Birmingham Noord met de metro -afgeladen met Villa fans- inmiddels feilloos te vinden. Met nog meer in clubkleuren uitgedoste en luidkeels zingende supporters liepen we vanaf het station de woonwijk Aston binnen, met haar smalle straatjes en ‘Coronation Street’ achtige huizen. ‘Villa Park’ is een indrukwekkend stadion (1897) en het was met ruim 42.000 toeschouwers uitverkocht.


H. had kaartjes gescoord met plaatsen zo halverwege de driedelige Trinity Road Tribune. We hadden er een royaal uitzicht op de ‘pitch’ met, schuin boven ons, het vak voor en vol met de Birmingham supporters. ‘Kick-off’ om 20.00 uur precies.
*
Het niveau van de wedstrijd had ik toch -vergeleken met onze Hollandse School normen- hoger ingeschat; het was typisch Engels (nr 16 tegen nr 13) met veel kick & rush. Ik zei tegen H.: “Op het middenveld hoeven ze het gras niet zo vaak te maaien. Daar loopt haast geen mens.” Aston Villa was wel wat sterker, (ze pompten meer hoge ballen het strafschopgebied van Birmingham in dan andersom) maar voorin konden ze niet op tegen de kopsterke verdedigers van de ‘Blues’ ***.
In de extra tijd van de eerste helft, in de 47e minuut, een bliksem snelle uitval. En aan het eind ervan kopte Stan Lazaridis de 0-1 voor ‘City’ tegen de touwen. Schuin boven onze hoofden hoorden we de Birmingham-fans juichen, maar we zagen ze niet.
M. keek op haar horloge en dacht ongetwijfeld aan de reset:

“Oh”, zei ze, “nou weten ze in Nederland natuurlijk nog niet dat er is gescoord!”
***
* Hall Green Grey Hound Stadium, 24.8.1927-29.7.2017. Nu een woonwijk)
** Het werd uiteindelijk 0-2 door Geoff Horsfield in de 77e minuut.
***’Blues’ is de bijnaam voor Birmingham City. (Voor Aston Villa is dat ’the Lions’)