OMLEIDINGEN (1997)

“Hoe gaat het nu met je vader?” vroeg ik zoon B. van Transportbedrijf A., terwijl ik hem de spreekkamer van ons bankkantoor binnen loodste. “Goed! Heel goed!” antwoordde B., “ik kom net uit het ziekenhuis en hij zit alweer vol plannen!”

Hij legde een stapeltje overboekingen voor me neer. Voor de goede orde keek ik op de rekening: Het saldo was, ten opzichte van de kredietlimiet, buitengewoon laag en de enigszins beverige handtekeningen onder aan de overboekingen waren onmiskenbaar van Sr.

“Vader gaat het wel anders doen. Hij wil zelf niet meer rijden, zeker niet naar het buitenland!” zei B. “Hij vindt nu, dat mijn boers en ik firmanten moeten worden!” “Dat is verstandig!” beaamde ik, “dus dat wordt een firma contract, naar de accountant en dan naar de Kamer van Koophandel.”

B. knikte en vervolgde: “Vader wil de ritten naar Italië en Spanje verder afbouwen. Dat in verband met de veiligheid. Voor de auto’s. Voor de lading en voor de chauffeurs. Die gestolen vrachtwagen in Italië zit hem nog altijd dwars. En dat gedoe met de verzekering…” Hij legde uit: “We houden in Zuid-Europa een paar goede klanten over. We gaan ons nu nog veel meer op Duitsland en de Scandinavische landen richten.”

“Ja”, zei B. vol overtuiging, “als planner vind je niet snel een betere. En zijn netwerk…” Hij klakte bewonderend met zijn tong. “Nee”, klonk het vol trots, “vader blijft gelukkig wel nog steeds het hart van ons bedrijf!” Hij produceerde een voorzichtige glimlach: “Tijdens zijn werk had hij de pest aan omleidingen en nu heeft hij er zelf vier!”