
Het is 2008, nazomer. Mijn boek is af. Het heeft 167 bladzijden. Korte verhalen. Toen ik aan het schrijven ervan begon, ging het soms snel, daarna helemaal niet, langzamer of onverwacht plotseling. Pen en papier op het nachtkastje voor als er in ontij een plot of een mooie zin ‘op popte’. Zeventig verhalen! Er is nog één issue: Het boek heeft nog geen titel! Al wekenlang passeren allerlei ‘invallen’ mijn revue om ze daarna weer (snel) te verwerpen. ‘Bij nader omzien’ had ik zo graag gebruikt. Maar ja, dat heeft Simon Carmiggelt al. ‘Van de hoed de rand’ blijft dagen ‘hangen’. Het past wel enigszins bij de korte, vaak gedetailleerde (‘de rand’) verhalen. Of juist bij de voetnoten. Maar ja, een hoge hoed met mijn (achter) hoofd eronder op de omslag: Ik heb niet eens een hoed, nooit gedragen ook.
*
Ook deze zondagmiddag komen er geen titel-ideeën in mij op. Ik bel vriend W. en leg hem mijn dilemma uit. “Tja”, zegt hij. Het blijft stil op de lijn, hij denkt na. “Ben je er nog?” vraag ik maar eens. “Ja, ja”, mompelt hij. En: “Wacht!” Het valt weer stil. Dan: “Je kunt”, begint hij, “misschien de titel van één van je verhalen gebruiken of een fragment uit zo’n verhaal?” Ik ben er blij van: “Een uitstekend idee, W.! Ga ik direct proberen!”
*
Op mijn desktop scroll ik met nieuwe energie door de inhoudsopgave met de titels van de verhalen. ‘Tussen de rails’. “Moah”. ‘Veluws fragment‘: “Moah”. Verder naar beneden staat ‘Spookloper‘. “Mmm”. Dan: “Eureka: ‘SPOOKLOPER‘ !!
*
Echtgenote R. probeert een (nieuwe?) haaksteek onder de knie te krijgen en onze dochters vriend E. spelt een artikel uit de Voetbal International. Met “Hebben wij een oude, witte kussensloop?” verbreek ik de stilte. R. kijkt op. “Ja, die hebben we wel”, zegt ze verbaasd, “wat wil je ermee?” “Ik doe het over mijn hoofd, dus er moeten twee gaten in worden geknipt, zodat ik er door kan kijken. Ik word spookloper. En jullie moeten mij helpen!” “Moet dat nu?” vraagt R. “ik schiet net zo lekker op met deze steek!”

Ze kijkt naar buiten: “En het gaat zo regenen, denk ik.” E. kijkt gealarmeerd op, zijn wijsvinger bij de laatste alinea, vast in de hoop weer snel verder te kunnen lezen. “We moeten naar de Rottummerweg!” Nu ik eindelijk een idee heb, wil ik het niet uitstellen. “Je gaat toch zeker niet met dat sloop over je hoofd midden op de weg lopen?” voorspelt R. “Nee”, zeg ik, mijn plan verder uitleggend, “op het fietspad. Dat is nooit druk en daar lopen óók strepen over het midden. Als spook wil ik natuurlijk ‘links’ lopen.” Ik kijk naar E.: “En jij moet met je telefoon foto’s maken, terwijl ik naar je toe ren!” “Rennen? Jij?” roept R., “je hebt een rugblessure!” Dat is waar. Ik heb al een paar weken niet kunnen trainen. “Het gaat al ietsje beter”, vergoelijk ik. En: ‘Je kunt wel rustig wat hardlopen binnen de pijngrens’, zei de fysio.” R. slaakt een zucht en geeft het op. Ze pakt een schaar en gaat op zoek naar een kussensloop. E. legt de VI ruggelings geopend op zijn stoel en pakt er zijn mobieltje bij. Ik trek mijn lopers outfit aan.
*
Op het fietspad helpt R. mij met de sloop en na enig passen en meten kan ik door de gaten kijken. “Als jij nou eens dertig meter verder op gaat staan”, instrueer ik E., “op het midden van het fietspad, dan ren ik naar je toe. Maak zo veel mogelijk foto’s!” “Laten we een beetje opschieten”, zegt R. Ik begrijp waarom: Vanuit het boerderijtje aan de overkant van de weg kijken de bewoners (ouders vanuit het ene raam, drie kinderen vanuit het andere) nieuwsgierig naar onze escapades. E. heeft zich inmiddels opgesteld, zijn telefoon in de aanslag, klaar voor gebruik. Een beetje ‘verroest’ (want ik heb geen warming up, rekken en strekken gedaan) ga ik in looppas richting E.
*
E. heeft vijf foto’s gemaakt. Te ver af, te dichtbij en op de drie ertussen loop ik onnatuurlijk ‘scheef’: De rug uit het lood en de benen in een bijna lachwekkende pose. “En?” vraagt R., met een blik in de richting van haar haakwerk op de driezitter. “Nee”, zeg ik, “het is niks! We moeten nog eens!” “Het regent nu!” zegt R. Ik geef het niet op: “Des te beter! Half duister, sinister!”
*
Het regent inderdaad stevig. R. heeft haar regenjas aan getrokken, de capuchon op. Ze trekt het sloop over mijn hoofd zodat ik er weer door kan kijken. Het is nat en ze strijkt het naadloos glad. De toeschouwers aan de overkant van de weg verschijnen -één voor één- weer voor de ramen. Een automobilist stopt en draait het raam neer: “Wat is er aan de hand? Kan ik ergens mee helpen?” “Nee hoor!” roept R., “het gaat hier goed. We zijn met een experiment bezig!” E. gaat weer naar zijn positie verderop. Hij is zonder jas. Hoor ik hem zachtjes mopperen?
*
Zes foto’s heeft E. geproduceerd. Bij één ervan roep ik: “Déze!” En: “Dit is em!” R. en E. komen nieuwsgierig dichterbij. Triomfantelijk houd ik E.’s telefoon in de lucht om het te laten zien: “Perfect, een échte spookloper!” Ik sla E. triomfantelijk op de schouder: “Kijk die kap! Die ogen! En: “Mijn voeten raken de grond niet eens meer!”

***