
1963
Dat had ik maar mooi gemist! Ik zag de foto’s en las het in de Friese Koerier:
De “Gerben van Manen”*, ons Heerenveenster skûtsje, had gewonnen! Zou er dan toch een eind komen aan de supermatie van Grou, dat immers al jaren de snelste was?
1964

Een paar dagen voor de eerste wedstrijddag van het jaar daarop (traditioneel met de sleepstart op de eerste zaterdag van de bouwvakvakantie op het Pikmeeer bij Grou) fietste ik naar de Aengwirderwei 53

in Terband en kocht er kaartjes voor alle wedstrijden. Vanaf ‘Salonboat de Fryslân’ zou mij niets meer ontgaan. “Alleen in Stavoren en de beide dagen in Lemmer moet je van boord en zelf een plekje zoeken, want ons schip mag niet op
zee!”** legde kapitein H.S. uit.
*
Eigenlijk -ongeduldig als ik ben- duurden de vaartochten van en naar de wedstrijdwateren op de verschillende Friese meren mij veel te lang, maar alle dagen lagen we van de eerste tot en met de laatste minuut voor anker op een ideale plek om de wedstrijd te volgen. En daar ging het om!
Soms kwam de skûtsjevloot vlak bij ‘De Fryslân’ langs, zodat we onze helden met de ‘H’ in het zeil konden aanmoedigen! Gelukkig ontmoette ik op die zaterdag een klasgenoot, die ik niet hoefde over te halen om zoveel mogelijk wedstrijddagen mee te varen: Hij was al een skûtsje–fanaat en wist er ook nog eens veel van af. Met dertien wedstrijden in veertien dagen (in Grou, Earnewâld en Lemmer waren dat jaar twee wedstrijden op één dag, maar nooit op zondag) als praktijkvoorbeeld en altijd wel een oud schipper aan boord, vulde ik mijn kennis in rap tempo aan. Ik leefde niet alleen hartstochtelijk met ons skûtsje mee, maar de wedstrijdspanning kwam nu ook volop binnen.
Lange reizen, maar ik mocht wel in de stuurhut om R. gezelschap te houden. Hij liet me zelf even aan het stuurwiel -en zette mij zijn pet op- zodat hij op zijn gemak en zorgzaam een dikke sigaar kon opsteken. Dat varen was nog niet zo gemakkelijk. ‘Kijk eens achterom!” zei hij. Ik zag een heel beverig schuimspoor waarmee we door de brede rivier meanderden. Hij zei: “Ik neem het wel weer over; straks komen er mensen naar boven om te vragen wat er aan de hand is!”
De Gerben van Manen prolongeerde de titel met glans: Van de dertien wedstrijden kwamen ‘wij’ maar liefst zes
keer als winnaar over de finish. En twee keer als tweede.
Nu was ik wel bij de huldiging, in euforie!
1965

Dit werd mijn tweede seizoen. Nu waren er twaalf skûtsjes. Op het bovendek waanden wij (mijn klasgenoot ging weer mee) ons experts en vertelden (hoofdzakelijk aan niet Friese vakantiegangers) over het tien minuten schot, daarna nogmaals, maar dan vijf minuten later en uiteindelijk het startschot. Ja, met een jachtgeweer. Oei, als een skûtsje (of soms skûtsjes) te vroeg over de startlijn zeilde(en): Een herstart na een strafrondje! Over de sleepstart in Grou*, het starten op nummer bij Earnewâld ** en de ‘iepen start’ op de ruimere meren en de zee.
Vragen waren er ook: “Zo’n zwaard remt toch alleen maar af?” “Nee, dat helpt om het schip in balans te houden en de man, die u erbij zien met die stok, is een peiler; Hij moet zorgen dat het zwaard, en daarmee het schip, niet aan de grond loopt!” “Waarom hangen ze dat kleine zeil zo raar? En met een stok?” “Die stok is een fokkeloet. Zo wordt de fok zo maximaal mogelijk gespreid om dan samen met het grootzeil één geheel te maken.” “En waarom doen ze dat dan?” “Om van de wind af, zoveel mogelijk gang te maken.” “De ‘G’ ligt nu toch duidelijk voor de ‘H’!” plaagden ze ons. “Nee, dat lijkt maar zo. Het skûtsje van Grou moet nog één keer door de wind, terwijl de ‘H’ van de Gerben van Manen die boei daar -ziet u hem?- in één keer kan bezeilen. Aandoen, zeg maar.”
Met zijn vijfenveertig ton, ruim negentien meter lang en zeer royale zeilen was de Gerben van Manen, als het behoorlijk waaide, bijna niet te kloppen. Een prachtig gezicht en wat waren we trots als ons schip dan met het schuim voor de kop, het buiswater bruisend door het gangboord en gevaarlijk ‘schuin’ -op één oor- op het ruime water ver, en soms zelfs heel ver, voor de vloot uit, als eerste door de finish werd geschoten!

Lastiger was het in de nauwe wateren van Earnewâld, waar het ruime lange schip maar moeizaam kon manoeuvreren. En omdat we die dag ook nog eens een grotendeels windstille wedstrijd -een drijverij- hadden, bewoog de Gerben van Manen, met slap hangende zeilen, meer achteruit dan vooruit en het dobberde zelfs naar de wal. Dat konden wij, vanaf ‘De Fryslân’, niet aanzien! We keken elkaar eens aan, trokken onze T-shirts, sokken en schoenen uit en met een “We gaan ze helpen!” doken we overboord het water van de Folkertssleat in en zwommen linea rekta naar de Gerben van Manen.
Met een lange boom moest een bemanningslid het schip van de wal afhouden. We konden nu, vlak bij de oever, staan. Vlak achter de Gerben van Manen; dus enige kracht konden we nu best zetten; “Wij helpen wel even!” De man zwaaide de ranke boom nu vervaarlijk in onze richting: “ Nee jongens! Dat mag niet! Straks diskwalificeren ze ons nog!” “Blazen!” riep een ander vanaf de Gerben van Manen, “blazen mag vast wel! ‘
*De Gerben van Manen is genoemd naar de eerste voorzitter van de SKS (Sintrale Kommisje Skûtsjesilen); * **Het IJsselmeer werd nog vaak aangeduid als (de voormalige Suder) zee;
***Met een sleepboot worden de skûtsjes in een lange rij naar de startplek getrokken. Daar wordt de sleeplijn losgelaten en worden de zeilen opgetrokken; Het startnummer is gekoppeld aan die startplek aan de wal. Zo heeft nummer 1 eerst de beste positie, maar het eindigt op de plaats met het hoogste startnummer;
***
Puntetelling: De winnaar krijgt 0,9 punten, daarna oplopend naar 2, 3, etc. De meeste punten van de slechtste wedstrijd mogen één keer worden afgetrokken.
De Gerben van Manen mocht in 1965 opnieuw de kampioenswimpel in de top van de mast hijsen, ook al omdat de punten van de minste dag (immers in Earnewâld: negende!) mochten worden afgetrokken.