


“De binnendienst gaat op de schop!” legde onze directeur Cees W. uit. “Landelijk! We moeten véél vaker naar de klanten toe. En daar ligt voor jullie een belangrijke taak. Jullie worden catcher! Een catcher is de achtervanger bij honkbal.” Hij ging enthousiast verder: “Daar hoort een heel programma bij. Die software wordt vandaag gedownload. Het is een eerste aanzet en wij zijn met ons kantoor Meppel -daar ben ik best wel trots op!- aangewezen als pilot. Jullie moeten je het programma eigen maken en noteren hoe het gaat. Waar loop je tegen aan? Wat zijn de kinderziekten? Is het werkbaar? Wat zou beter of anders moeten? Dat duurt ongeveer een maand. Evaluatie is de volgende stap. Dan komen er, over het land verspreid, presentaties. Eén bij ABN AMRO Groningen: de ‘catchers course’!”
*
Vijf weken later stond ik bij de personeelsingang aan de Vismarkt in Groningen. Veel te vroeg en ik kom vast niet naar binnen. Ik ken de deurcode niet en men kent mij niet. Daarom wachtte ik op een collega of collega’s, om dan -samen- naar binnen te glippen.
Er kwam iemand om de hoek. Een energiek man, kek brilletje, hoedje en een weekend tas, waar een honkbalknuppel vervaarlijk uitstak: Charles ‘Charley’ U., een honkbalgrootheid. We schudden elkaar de hand: “Ik zou graag naar binnen willen”, zei hij, ongeduldig op zijn horloge kijkend, ” ik kom een cursus geven en ik moet nog wel het één en ander voorbereiden!” “De catcher’s course”, wist ik, “ik ben cursist!” “Ah”, zei Charles U., “en, weet u wel iets van honkbal?” “Zeker”, antwoordde ik, “ik weet zelfs wat een spitball* is!” Dan: “Ik weet niet of ze ons binnen laten! Ze kennen mij hier niet! Maar”, ik drukte op de zoemer, “ik probeer het!” Het duurde een aantal seconden. “Nu bekijken ze ons!” zei ik. Dan klikte de deur open. Ik liep met een “Gaat u maar voor”, achter de cursusleider aan naar binnen. “Tjee”, verwonderde ik me en we keken beide naar de weekendtas met de honkbalknuppel. “Nee”, zei Charles U. lachend, “een hechte defensie is het hier niet!”
*
In de vergaderzaal begon Charles U. onmiddellijk de attributen uit zijn weekend tas op een tafel uit te stallen: De knuppel, een viertal honkballen, een linker- en rechter handschoen en, het meest bezienswaardig, de gekooide helm van de catcher. Daarna tekende hij in rap tempo een honkbalveld met zwarte viltstift op het witte bord. Hij maakte de ‘plaat’ , het vierde honk, wat groter. “Kijk”, legde hij uit, terwijl hij een ‘C’ achter de thuisplaat omcirkelde, “ik maak de positie van de catcher of in het Nederlands, de achtervanger, bewust wat groter.


Want het is de bedoeling, dat ik een link leg tussen wat een catcher in honkbal doet: De op de pitcher na belangrijkste verdediger van het team en de man met het beste overzicht over het totale speelveld.
En wat een bank catcher –u dus- wordt verondersteld te doen in uw speelveld, de zakelijke markt!” Hij wist het: “De achterdeur dicht houden voor de concurrentie en zien waar de commerciële kansen liggen!” Kort kon ik antwoorden: “Ik weet hoe het werkt! Ons kantoor was pilot!”
*
Kantoordirecteur Cees W. had ons groepje toekomstige catchers bijeen geroepen en hij kondigde aan: “Onze grote baas, voorzitter van de Raad van Bestuur, Rijkman G., komt op werkbezoek naar het Noorden! Hij wil weten hoe het in onze regio gaat en vooral hoe het nog veel beter kan. Ook ik heb daarover een gesprek met hem.” Cees W. klonk bepaald gewichtig. Hij hief een attenderende vinger naar ons op: “Maar nu komt het! Hij wil ook weten hoe het gaat met onze catcher-pilot. Er moet een beslissing vallen. Wordt deze werkwijze geïmplementeerd of niet?” Cees W. keek het kringetje van toehoorders afwachtend aan om het effect te verhogen. “Rijkman G. wil een interview met een catcher!” Hij keek, wervend, de kring weer rond. Niemand reageerde. “Ik doe het wel”, hoorde ik mezelf zeggen, terwijl ik dacht aan de slogan van één van mijn voetbaltrainers, wanneer we tegen een hoger geplaatst team moesten spelen: “Ze hebben ook allemaal een linker oor!” “Mooi zo!” zei Cees W. Hij keek me in een mengeling van opluchting en tevredenheid aan: “Dan hoef ik niemand aan te wijzen. Kom zo maar even naar mijn kamer!”
*
“Drie zaken, die je vooraf over Rijkman G. moet weten”, zei Cees W., terwijl ik tegenover hem in de directiekamer zat. “Ten eerste: Weet je van zijn ongeluk?” “Ongeluk? Nee, welk ongeluk?” “Hij heeft zich jaren geleden bij een jachtpartij door zijn onderarm geschoten”, verklaarde Cees W. “Oh, jee! Nee, dat wist ik niet! Vossenjacht?” “Nee”, zei Cees W., enigszins geërgerd door mijn overbodige vraag, “eenden! Dus, wees daarom niet verbaasd dat, als hij je al de hand wil schudden, dat dan ‘links’ is.” Ik knikte begrijpend maar kon het niet laten: “Vast niet zijn politieke kant!” Cees W. deed of hij het niet had gehoord: “Hij houdt niet van gezemel over het weer en je hoeft ook zeker niet over voetbal te beginnen. Hij is heel direct en ’to the point’. En, let op, hij is altijd goed voorbereid. Dus, dat betekent, dat jij er wel méér van moet weten dan hij! En je moet de goede antwoorden op zijn vragen hebben!” Ik beloofde het Cees W. plechtig: “Ik zit er al meer dan zes weken middenin en ik zal zorgen dat ik een plausibele uitleg heb!”
*
Inderdaad had Rijkman G. zich ingelezen. Mijn verhaal kwam er, samengevat, op neer, dat “wij, als catchers, de vragen van klanten voor de accountmanagers gaan opvangen en zoveel mogelijk beantwoorden, zelf eventuele klachten gaan oplossen, ‘leads’ vastleggen en commerciële kansen signaleren en, heel belangrijk, afspraken gaan maken voor de accountmanagers, waar we aan zijn ‘gekoppeld’. Zowel bij onze klanten als bij prospects.” Ik ben even stil. Dan: “De catchers maken zo tijd vrij voor de accountmanagers. Zij moeten immers op pad! Veel meer de markt in! Het zijn te dure krachten, die nu te veel van hun kostbare tijd achter hun bureau zitten. Ze moeten zaken doen!”
*
“En? En?” vroegen de collega’s, zodra ik van uit de directie kamer weer op onze afdeling verscheen. “Prima verlopen!” vertelde ik, “hij weet er eigenlijk best wel veel van af.” Ik voegde er aan toe: “Recht toe, recht aan! Maar echt wel een aimabele man!” “Aimabel?” een collega gaat er verontwaardigd bij staan, “de manier waarop mijn broer zijn ontslag heeft gekregen? Na twintig jaar: overbodig!” We zijn er even stil van. Ze is nog niet klaar: “Die G. woont in een hele grote villa! Een kasteel van een huis!” wist ze: “Loenen aan de Vecht! Met een landgoed van zeker tien hectare!” “Hoe weet je dat allemaal?” vroeg collega S. “Stond in de Gooi- en Eemlander!” legde ze uit. En: “Mensen daar willen graag dat hij het landgoed open stelt. Voor wandelaars en natuur liefhebbers!” Ze keek mij aan: “Aimabel, zei je toch? Hèkken heeft hij erom heen laten zetten!” “Nou”, vergoelijkte ik, “ik denk, dat hij dat op den duur** vast wel gaat doen.” “Ha”, schamperde ze, “dat denk ik ook! Telkens op 29 februari!”
***
*Spitball: Wanneer de pitcher (werper) de bal met zijn fluim (sputum) bestrijkt om zo de bal meer en nog onvoorspelbaarder effect mee te geven—> Uiteraard niet toegestaan.…
**Fact gecheckt bij Gooise vrienden: “Het heet ‘Vrederijk’ en, ja, het is geopend. We hebben er gewandeld, je bent er zo door!”